Uit de nulmeting 'Natuurinclusieve landbouw met natuurgrond' van Wageningen University & Research blijkt dat de biologische bedrijven binnen de groep natuurinclusieve bedrijven zich duidelijk onderscheiden door een extensieve bedrijfsvoering en lage milieudruk. Zes van de zeventien onderzochte bedrijven zijn gecertificeerd biologisch. Deze bedrijven werken zonder kunstmest en hebben over het algemeen een lagere aanvoer van externe inputs, wat past bij het streven naar gesloten kringlopen.
© Wessel Cirkel | Dreamstime
Lage waarden
De stikstofoverschotten op de deelnemende bedrijven liggen veelal onder zowel het gangbare als het biologische gemiddelde, waarbij met name de biologische bedrijven lage waarden laten zien. Veertien van de zeventien bedrijven zitten onder het gemiddelde van biologische melkveebedrijven, en bij enkele bedrijven is zelfs sprake van een negatief overschot. Dit wijst op een efficiënte benutting van nutriënten en een beperkte afhankelijkheid van externe aanvoer. Ook het fosfaatoverschot ligt bij veel bedrijven rond of onder nul, wat aansluit bij het principe van evenwichtsbemesting dat binnen de biologische sector wordt nagestreefd.
Ruimte
De biologische bedrijven zijn daarnaast overwegend extensiever dan gemiddeld. Waar biologische melkveebedrijven in Nederland gemiddeld rond 1,4 grootvee-eenheid per hectare zitten, liggen vijf van de zes biologische bedrijven in deze studie daaronder. Dit hangt samen met het relatief grote areaal natuurgrond en kruidenrijk grasland dat op deze bedrijven aanwezig is. Deze extensieve bedrijfsvoering draagt bij aan lagere emissies en biedt ruimte voor biodiversiteit.
© Annemario | Dreamstime
Melkproductie
Ook op het gebied van productie wijken de biologische bedrijven af. Een deel van de biologische melkveebedrijven in de studie realiseert een hogere melkproductie per koe dan het landelijke biologische gemiddelde, maar tegelijkertijd blijft de productie per hectare vaak lager. Dit duidt op een minder intensieve benutting van de grond, wat kenmerkend is voor biologische en natuurinclusieve systemen.
Zelfvoorziening
Verder valt op dat biologische bedrijven vaker inzetten op zelfvoorziening, bijvoorbeeld door eigen krachtvoer te telen of reststromen zoals natuurmaaisel te benutten. Dit vermindert de afhankelijkheid van externe inputs en sluit aan bij de kringloopgedachte binnen de biologische landbouw.
De resultaten laten zien dat biologische bedrijven binnen deze groep al relatief ver zijn in de ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw. Tegelijkertijd halen ook deze bedrijven nog niet het hoogste niveau binnen de gehanteerde systematiek, wat volgens de onderzoekers aangeeft dat verdere ontwikkeling mogelijk is.
Bron: Louis Bolk Instituut