Op woensdagmorgen 7 februari 2024 om 10.00 uur is er een gesprek tussen zes melkveeorganisaties en demissionair minister Adema van LNV in Den Haag op het ministerie. Gespreksthema is het acute mestoverschot dit mestseizoen door afbouw derogatie. Mestafzet is nauwelijks te realiseren en brengt hoge kosten mee. Er is naar schatting geen mestplaatsing voor circa 53 miljoen kuub rundveemest.

Netwerk GRONDig neemt deel aan het gesprek met demissionair minister Adema. De organisatie dient onderstaand voorstel in als oplossing voor de grondgebonden melkveehouders.

Concreet voorstel
Het concrete voorstel is een mestregeling van 200 tot 220 kg N/ha aan dierlijke mestgift voor grondgebonden melkveebedrijven (gerelateerd aan de grondgebonden definitie van 0% fosfaat overschot = 2 tot 2,2 GVE/ha = 200 tot 220 kg N/ha). Het continueren van grondgebonden melkveebedrijven is essentieel voor milieuopgaven; samenspraak met de leefomgeving en behoud van bovengemiddelde weidegang.

Verzoek Mestregeling grondgebonden melkveebedrijven
Het verzoek aan de minister is om de kringloop van dier, mest en gewas op
bedrijfsniveau te behouden. Concreet: het behoud van de basis, het uitgangspunt van voerwinning én juiste mestplaatsingshoeveelheid voor en van 2 tot 2,2 GVE/ha voor zowel stikstof als fosfaat. Netwerk GRONDig verzoekt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een dergelijke Mestregeling te verkennen en uit te werken.
De organisatie pleit voor het gedogen van een concept Mestregeling voor
grondgebonden kringloopboeren in het bijna startende mestseizoen van 2024.

Onderdelen van een verkenning en uitwerking
Consistent beleid voeren vindt de organisatie belangrijk. Grondgebonden bedrijven (volgens de wet 2,2 GVE/ha gebaseerd op een fosfaat overschot van 0% op bedrijfsniveau) betekent ruwvoer winnen voor 2,2 GVE/ha en dat betekent ook dierlijke mestgift voor 2,2 GVE/ha. Wanneer dat niet meer lukt wordt structureel onder de behoefte van het gewas bemest en daardoor de bodem uitgeput. Dit betekent het einde van kringlooplandbouw op bedrijfsniveau, het einde van extensieve bedrijven.

De excretieforfaits per melkkoe voor drijfmest differentiëren in een stal--excretie en een weide-excretie (op basis van het aantal uren weidegang en het ureumgetal). De stal-excretie moet geplaatst worden op het land binnen de gestelde normen en de weide-excretie telt niet meer mee (Emissiearme Bedrijfsvoering).

De urine-stikstof (ureum) die bij bovengemiddelde weidegang (>1300 uur/koe/jaar) in de weide komt, maakt plaats voor 30 kg N uit dierlijke mest per ha. De urine hoort bij de kunstmest-ruimte en is een natuurlijk alternatief voor de technische variant oftewel ‘renure’
Het bovengemiddeld weiden blijft hierdoor ook behouden.

Een regeling dat bedrijven die veel weidegang toepassen en minder dan 100 kg N uit
kunstmest/ha gebruiken hun mestplaatsingsruimte uit dierlijke mest kunnen behouden.

Mogelijk kunnen dezelfde voorwaarden gehanteerd worden als voor bovengronds uitrijden
en kunnen deze gekoppeld worden aan de Mestregeling.

Lees hier het hele bericht van Netwerk GRONDig.