Interview met Marian Blom in Nefyto-bulletin:

Hoe weert de bio-landbouwsector zich tegen ziekten en plagen?

In het Nefyto-bulletin juni 2013, de kwartaaluitgave van de Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie, is een uitgebreid interview met Marian Blom van Bionext geplaatst. Lees die interview hieronder:

Nederland telt ruim 1.500 gecertificeerde biologische boeren en tuinders. Hoe gaat deze sector om met gewasbescherming? Welke maatregelen en middelen worden er toegepast? Welke regelgeving geldt voor de biologische landbouw? Zijn er knelpunten?

In deze groene editie van Nefyto Bulletin past een verkenning van de biologische landbouw. We praten hierover met Marian Blom van Bionext, de woordvoerende organisatie van de biologische branche in Nederland. Binnen Bionext is Marian Blom werkzaam in het team Kennis & Innovatie, regelgeving en Europa.

De biologische landbouw is als stroming in Centraal-Europa en India ontstaan in de periode voor de Tweede Wereldoorlog, toen de ontwikkeling in de landbouw zich sterk concentreerde op chemie en mechanisatie. "Het was een soort tegenbeweging, die vond dat je door het wetenschappelijk benaderen van de traditionele landbouw meer voordelen kon behalen", vertelt Marian Blom. "Vervolgens zijn van daaruit, verspreid over Europa, diverse biologische landbouwstromingen ontstaan. Op een gegeven moment nam het zo'n omvang, dat er behoefte kwam aan regelgeving en controle. Aanvankelijk werd dat door de sector zelf geregeld. Toen de handel in biologische producten internationaal werd, ontstond behoefte aan Europese regelgeving. Dat heeft in 1991 geresulteerd in een Europese verordening voor de biologische landbouw. Deze is later opgevolgd door Verordening 834/2007."

De EU kent een keurmerk voor biologische producten. Iedere lidstaat heeft een instantie die de productieregels controleert en het keurmerk afgeeft. In Nederland is dat Skal, die dit doet in opdracht van het Ministerie van EZ.

Ziekten en plagen

Belangrijk uitgangspunt van de biologische landbouw is dat de bodem de plant moet voeden en dat het bodemgebruik duurzaam moet zijn. Kunstmest is verboden, dierlijke mest en compost mogen wel. Gesynthetiseerde gewasbeschermingsmiddelen zijn niet toegestaan.

Hoe gaat de biologische teler de strijd tegen ziekten en plagen aan? "Het zijn vooral de gewaskeuze, rassenkeuze en teelttechniek waarmee de teler ziekten en plagen probeert te beheersen", legt Marian Blom uit. "In de tuinbouw bijvoorbeeld worden bepaalde gewassen naast elkaar geplaatst vanwege hun onderlinge beschermende werking. Zo houden uien de wortelvlieg weg bij peengewassen. Dit wordt ook grootschaliger, in de akkerbouw, toegepast. Uit onderzoek van PPO is gebleken dat uienolie, geplaatst in dispensers om een wortelbed, de uienvlieg ook weghoudt. Dit wordt ook overgenomen door de gangbare tuinbouw."

Verder wordt in de akkerbouw gewerkt met bloemenranden, die een habitat bieden aan natuurlijke vijanden van plagen. Overigens wordt in de gangbare landbouw hier ook mee geƫxperimenteerd (zie Nefyto Bulletin 2010/3). Maatregelen in de biologische fruitteelt zijn bijvoorbeeld het zorgen voor een snelle bladvertering, waardoor schimmels moeilijker overleven in de boomgaard. Onkruidbestrijding in de biologische land- en tuinbouw gaat veelal mechanisch en handmatig. "In de mechanische onkruidbestrijding zie je technische innovatie, denk aan GPS en robotisering", merkt Marian Blom op.

Middelen

Naast deze maatregelen hebben biologische telers de beschikking over een beperkt aantal middelen, genoemd in de Europese verordening, die kunnen worden ingezet tegen ziekten en plagen. Fruittelers gebruiken bijvoorbeeld kalkmelk tegen vruchtboomkanker, dat inmiddels ook zijn weg heeft gevonden naar de gangbare fruitteelt. Zwavel wordt gebruikt tegen onder meer schimmels. Net als in de gangbare landbouw worden feromonen gebruikt om feromoonverwarring bij insecten te veroorzaken. Een bacteriepreparaat als Bacillus thuringiensis (Bt) wordt door zowel de gangbare als biologische landbouw gebruikt en werkt tegen rupsen.

De ontwikkeling in de biologische middelen lijkt in een versnelling te komen. Er komen dus nieuwe middelen bij. Hoe staat de biologische landbouw hier tegenover? "Persoonlijk vind ik dat de biologische landbouw er open voor moet staan om deze middelen te bekijken", antwoordt Marian Blom. "In de Europese verordening staat een aantal toelatingscriteria voor nieuwe middelen. Producten die hieraan voldoen, passen in de biologische landbouw."

Gewas branden

Voorbeelden van ziekten die lastig te beheersen zijn, zijn valse meeldauw in ui en phytophthora in aardappelen. Vanuit het Productschap Akkerbouw geldt de regel dat biologische telers hun gewas moeten branden als de besmetting van een perceel te hoog is. Vindt bij aardappelen het branden vlak voor de oogst plaats, dan is er nog wel een oogst, maar met minder opbrengst.

Een biologische teler heeft minder mogelijkheden om te corrigeren bij ziekten en plagen dan een gangbare teler. Hoe uit zich dat nu in opbrengst en oogstzekerheid? "Het verschilt per teelt, maar in de akkerbouw geldt dat in goede jaren biologische telers even veel opbrengst hebben als gangbare telers", antwoordt Marian Blom. "In slechtere jaren is het voor de biologische telers een stuk minder. Daar moet je als ondernemer wel tegen kunnen. De telers die ik spreek, waarderen de biologische teelt om het vakmanschap dat het van hen vraagt. Maar het verminderen of voorkomen van die sterke schommelingen is zeker een punt van aandacht."

Veredeling

Zijn er, naast de genoemde schommelingen in opbrengst, nog knelpunten waar de biologische landbouw in Nederland mee worstelt? "Toen de Regeling Uitzondering Bestrijdingsmiddelen (RUB) stopte, ontstond er wel onrust", vertelt Marian Blom. "Op zich is het voor de biologische landbouw geen probleem dat er geen RUB meer is. Het echte probleem is dat binnen de Europese regelgeving de procedures voor laag-risicomiddelen nog niet zijn uitgewerkt. Daar moet nu echt vaart achter worden gezet."

Dan is er nog een ander aandachtsgebied, dat niet zozeer een knelpunt is, maar waarin volgens Marian Blom nog veel werk verzet moet worden: "Dat is de veredeling, waarbij het vooral gaat om resistentie en weerbaarheid. Denk bij dat laatste aan bijvoorbeeld koolbladen met een dikkere waslaag, die beschermt tegen tripsvraat. Of aan een ras aardappelen dat zich in het vroege voorjaar goed kan ontwikkelen, ook al is door de kou de stikstofafgifte nog laag. Een dergelijk ras kan worden geoogst voordat de phytophthora-druk op zijn hoogst is. Dergelijke rassen zijn al ontwikkeld in het veredelingprogramma BioImpuls, waarin het Louis Bolk Instituut, de WUR, kweekbedrijven en boerenveredelaars samenwerken. Dit moet blijven bestaan."

Bron: Nefyto-bulletin-2-2013

Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven