Veldproef in Wetteren toont de kracht van biologische aardappelen

Dinsdag 7 mei werden de resultaten bekend gemaakt van het onderzoek naar de resistentie van een selectie van aardappelen tegen de schimmelziekte, Phytophtora infestans. Dit onderzoek toont aan dat rassen die geteeld worden in de biologische sector, resistent zijn tegen de ziekte.

Het onderzoek toont ook aan dat genetisch gewijzigde planten, voorzien van een resistent gen afkomstig uit de biologische rassen, ook overleefden. Maar onderzoek naar resistentie van een ras is niet voldoende. Deze phytophtora kon zich maar ontwikkelen tot een superpathogeen door eenzijdige industriële landbouwpraktijken. Daarom is het nodig dat de overheid voluit kiest voor onderzoek naar innovatieve landbouwpraktijken die rekening houden met de ecologische weerbaarheid van Vlaanderen.

In het onderzoek werden een aantal rassen blootgesteld aan de inmiddels beruchte ziekte. Het gangbaar gebruikte bintje, dat zwak is en enkel kan overleven met 20 sproeidosissen per seizoen, bezweek al gauw. Een aantal aardappelrassen in dit onderzoek bleken wel veerkrachtig genoeg om besmetting met de ziekte te overleven: de Bionica aardappel, de Toluca en Sarpo Mira. Allemaal rassen die in de biologische teelt zorgvuldig en gedurende meer dan 40 jaar geselecteerd werden op robuustheid en smaak.


Foto: Kobe Van Looveren. Bio-teler Luc Staelens met pootgoed voor biologische aardappelteelt.

De onderzoekers testten ook een aantal genetisch gemodificeerde rassen ontwikkeld om resistent te zijn. In een labo kregen deze aardappelen een vreemd gen ingeplant. Dankzij dit gen werden ook zij resistent.

Waar kwamen die gebruikte resistente genen vandaan? De Vlaamse onderzoekers kregen de aardappelen van de universiteit van Wageningen. De Nederlandse onderzoekers op hun beurt ontwikkelden de resistente genen niet zelf. Ze onderzochten welke rassen het best bestand zijn tegen de ziekte en kwamen uit bij biologisch geteelde aardappelen. Vervolgens identificeerden ze de betrokken genen van die bio-aardappelen en brachten die genen in in de 'gangbare' aardappelen. Het veelbesproken onderzoek toont dus aan dat de langzame 'klassieke' veredeling uitermate succesvol was.

De biologische robuuste, veredelde rassen zijn echter tafelaardapppelen en niet helemaal geschikt om te telen voor de grote verwerkende aardappelindustrie. De ambitie van de onderzoekers is aardappelen met resistente genen ontwikkelen, die wel geschikt zijn voor grootschalige verwerking. Op zich niets mis met dit streven. De mogelijke toepassingen van het onderzoek baren heel wat onderzoekers en landbouwers echter grote zorgen.

Waarom? Vraag je even af waarom de phytophtora infestans zo succesvol geworden is. De phytophtora infestans is een zogenaamd superpathogeen, een virulente ziekte. Zo’n ziekte is in staat om zich aan te passen aan natuurlijke afweersystemen van planten en deze te doorbreken. Dergelijke superpathogenen kunnen maar ontstaan in een landbouw gebaseerd op monoculturen. Een landbouwsysteem dat bouwt op massaal en grootschalig gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Een landbouwsysteem dat haar omgeving als vijandig en te bestrijden beschouwt. De bodem wordt gezien als een 'dood' complex dat moet bemest met mineralen. Alle ongewenst leven wordt met onkruiddoders of schimmeldoders vernietigd. In zo'n omgeving kan een superpathogeen zich volop ontwikkelen en aanpassen aan resistentiegenen. Het is dus niet ondenkbaar dat wanneer de resistentiegenen van de robuuste rassen massaal worden ingezet in een dergelijk industrieel landbouwsysteem, de phytophtora in staat zal zijn om deze resistentie te doorbreken. En dat betekent dat de rassen die met zorg en doorheen jaren werden geselecteerd, niet langer resistent zullen zijn tegen het superpathogeen.

Is het onterecht dat wetenschap zoekt naar weerbaarheid tegen ziekte? Uiteraard niet. Maar dergelijk onderzoek hoort zich niet te beperken tot het gewas, maar te starten bij de bodem. Herinner je uit de biologieles hoe rijke humus de basis vormt van het bos. Deze rijke bodem wordt langzaam gevormd door neerdwarrelende bladeren die tot voedsel dienen van allerlei kleine dieren zoals regenwormen en springstaartjes, micro-organismen en schimmels. Door een langzaam rijpingsproces ontstaat een rijke kruimelige structuur. Dankzij het samenspel met het levende ecosysteem van de bodem kan de plant zich voeden en maakt ze zich weerbaar tegen ziektes. Deze complexe bodemstructuur met haar voedende én helende eigenschappen, kan ook toegepast worden in de landbouw. Al heel wat onderzoeksinstellingen en vooral landbouwers hebben dit met succes uitgetest.
Om deze ecologische aanpak van landbouw succesvol te maken, is verder onderzoek nodig. Het vraagt veel kennis en experimenteel onderzoek om ecologische voorwaarden te creëren voor een duurzame landbouw. Onderzoek vraagt tijd en middelen en dus keuzes over de besteding van de schaarse budgetten.

Onze overheid heeft al te kennen gegeven dat ze het belang onderkent van onderzoek naar ecologische en biologische landbouwpraktijken. Zo heeft de minister van landbouw ook een strategisch plan uitgewerkt, samen met Boerenbond, BioForum Vlaanderen en andere partners om biologische landbouw te stimuleren. Dat is positief. Het is begrijpelijk dat het beleid verschillende acties onderneemt. Maar in dit dossier riskeert het beleid grondig inconsistent te worden en haar eigen beleid pro bio te ondermijnen.

Indien Vlaanderen koploper wil worden op vlak van innovatieve landbouw die inspeelt op ecologische rijkdom, dient Vlaanderen drastisch meer te investeren in agro-ecologisch onderzoek.

Bron: BioForum Vlaanderen

Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven