Een 53 jaar durend veldexperiment in Duitsland zorgt voor nieuwe discussie over de rol van grondbewerking binnen de biologische en regeneratieve landbouw. Aanleiding is een studie naar bodemkoolstof, die op sociale media veel reacties opriep uit zowel wetenschap als praktijk. Voor biologische telers raakt het debat aan een kernvraag: hoe bouw je bodemvruchtbaarheid op zonder chemische input en welke rol speelt grondbewerking daarin op lange termijn?
© Kirvinic | Dreamstime
Volgens John Twyford, adviseur in de biologische en biodynamische landbouw, die het artikel in eerste instantie deelde, is de aanname dat minder grondbewerking automatisch beter is voor de bodem te simplistisch. "Verminderde grondbewerking bouwt wel koolstof op, maar alleen in de bovenste 5 tot 8 centimeter", schrijft hij. "Onder die laag zijn de koolstofvoorraden juist lager dan bij conventioneel ploegen."
Koolstofopbouw vooral in de bovenlaag
De studie laat zien dat gereduceerde grondbewerking vooral leidt tot koolstofopbouw in de bovenlaag, terwijl diepere lagen achterblijven. Dat kan deels komen door herverdeling van organisch materiaal in plaats van netto-opslag in het hele bodemprofiel. Voor biologische bedrijven is dat relevant: juist diepere koolstofopbouw wordt vaak gekoppeld aan droogteresistentie, nutriëntenbuffering en wortelontwikkeling.
© Soil and Tillage Research
In de reacties klinkt veel herkenning, maar ook nuance. Eduardo Cuoco, directeur van IFOAM Organics Europe, benadrukt dat de uitkomsten vooral de complexiteit onderstrepen: "Dit bevestigt dat er geen 'one-size-fits-all' oplossing is." Hij wijst erop dat keuzes rond grondbewerking niet alleen technisch zijn, maar ook afhangen van kosten, arbeid, rotatie en beleid.
Praktijkervaring: bewerking kan bodem versterken
Een van de meest uitgebreide praktijkreacties komt van Iain Tolhurst, biologische groenteteler en praktijkonderzoeker, die zijn eigen systeem van 40 jaar biologische teelt toelicht. Daarin wordt beperkt en gericht geploegd, gecombineerd met rotaties, groenbemesters en organische input.
Volgens Iain kan dit juist leiden tot hoge koolstofwaarden tot op één meter diepte en een sterke bodemstructuur, afhankelijk van het systeem en de context. Zijn praktijkbeeld staat daarmee niet haaks op de studie, maar benadrukt dat bodemopbouw sterk afhangt van rotatie, gewaskeuze en organische input – niet alleen van de keuze "wel of niet ploegen".
Diepte als sleutelvariabele in bodemfunctie
Andere reacties leggen de nadruk op het belang van koolstofverdeling door het hele bodemprofiel. Daryl Badeaux, landbouwinnovator en ondernemer, stelt: "Diepte begint belangrijker te worden dan totale hoeveelheden. Oppervlakkige koolstofwinst kan positief lijken, maar als die niet door het bodemprofiel heen vertaalt, blijft het systeem beperkt in hoe het functioneert onder stress."
De rode draad in zowel de studie als de discussie is dat een zwart-witkeuze tussen wel of niet ploegen onvoldoende recht doet aan de praktijk. Meerdere experts pleiten voor een gerichte, periodieke inzet van grondbewerking.
Verschuiving naar systeemdenken
Binnen de reacties klinkt een bredere verschuiving door: van vaste principes naar systeemdenken en maatwerk per bedrijf en bodemtype. De focus zou minder moeten liggen op dogma's rond "no-till" of "ploegen", en meer op de vraag wat een bodem in de praktijk nodig heeft om functioneel te blijven. Toby Cox, agroforestry- en voedselsystemenadviseur, vat dat samen als een verschuiving van voorschrift naar effect: "Bewerken wanneer het de bodemgezondheid verbetert."
Ook Sybille Kyed, beleidsadviseur biologische landbouw, benadrukt de complexiteit: "Het laat zien dat landbouwsystemen complex zijn en veel kennis vereisen."
Voor de biologische sector betekent dat een lastige maar relevante verschuiving: bodemopbouw is niet alleen een kwestie van minder ingrijpen, maar van de juiste balans tussen mechanische bewerking, rotatie en biologische activiteit. Of, zoals het wordt samengevat door Dr Aurelie Quade, bodemdata-expert en plantpatholoog: "Alles is goed met mate."
Bron: John Twyford en Science Direct