In een proef naar de effecten van lagere eiwitgehaltes in het rantsoen werden melkproductie en voeropname nauwelijks beïnvloed bij een gematigde verlaging van het eiwitgehalte. Een verdere verlaging gaf echter duidelijk negatieve effecten. Dat tonen de eerste resultaten aan van onderzoek van Wageningen University & Research in samenwerking met de Vereniging Diervoederonderzoek Nederland (VDN), LVVN en het Melkveefonds.
Balans tussen eiwit, productie en milieu
De melkveehouderij staat onder druk om de uitstoot van stikstof te verminderen. Eén van de mogelijkheden is om het ruw eiwit (RE) in het rantsoen van melkkoeien te verlagen. Eiwitrijke voeding draagt bij aan een hoge stikstofuitscheiding via urine en mest. Tegelijkertijd is eiwit van groot belang voor melkproductie en diergezondheid. Het vinden van de juiste balans is dus cruciaal voor zowel het milieu als de melkveehouder.
Het onderzoek, dat werd uitgevoerd op de Dairy Campus in Leeuwarden, volgde 64 melkkoeien gedurende twee volledige lactaties. De dieren kregen één van drie rantsoenen met een verschillend eiwitniveau, met als gerealiseerd gemiddeld eiwitgehalte 13,3, 14,3 en 15,4% RE voor de laag-, midden- en hoog-eiwitgroepen. Alle koeien kregen hetzelfde basisrantsoen (12,4% RE), bestaande uit graskuil, maiskuil en raapzaadschroot. Dit werd aangevuld met krachtvoer in verschillende verhoudingen om zo de verschillen in eiwitgehalte te realiseren.
Van de eerste volledige lactatie in de proef zijn de voeropname (Figuur 1) en melkproductie (Figuur 2) inmiddels geanalyseerd. Daarbij is het goed om te benadrukken dat zelfs de hoog-eiwitgroep met 15,4% RE lager lag dan het Nederlandse praktijkgemiddelde van 16,1% (CBS, 2024). De uitkomsten moeten dus worden gezien in de context van een relatief laag eiwitniveau.
Resultaten van de eerste lactatie
De koeien in de laag-eiwitgroep aten minder (21,7 kg droge stof (DS) per dag) en produceerden minder melk (gemiddeld 29,9 kg/d) dan de midden-eiwitgroep (23,9 kg DS/d en 33,8 kg melk/d) en de hoog-eiwitgroep (23,9 kg DS/d en 34,4 kg melk/d). Ook de vet- en eiwit gecorrigeerde melkproductie (FPCM) was lager in de laag-eiwitgroep (31,3 kg/d) dan in de midden-eiwitgroep (35,8 kg/d) en de hoog-eiwitgroep (36,8 kg/d).
Tussen de midden- en hoog-eiwitgroep waren geen significante verschillen in opname of productie, al lag de melkproductie bij de hoog-eiwitgroep gemiddeld iets hoger. De ureumconcentratie in melk (Figuur 3) bleek duidelijk samen te hangen met het eiwitniveau in het voer: hoe lager het eiwitgehalte, hoe lager het melkureum.
Een verlaging van het ruw eiwitniveau van 15,4 naar 14,3% RE blijkt mogelijk zonder significant verlies in melkproductie of voeropname, wat perspectief biedt voor stikstofreductie in de melkveehouderij. Een verdere verlaging naar 13,3% RE leidt echter tot duidelijk lagere voeropname en melkproductie, wat nadelig is voor het bedrijfsresultaat.
De uitkomsten bieden melkveehouders en beleidsmakers aanknopingspunten om de balans te vinden tussen milieuwinst en economische haalbaarheid. Daarbij geldt wel dat de resultaten van de tweede lactatie en de analyses van de effecten op diergezondheid nog volgen, waardoor de langetermijnconsequenties pas later volledig duidelijk zullen worden.
© Jannick Flach | BioJournaal.nl
Figuur 1: Drogestofopname van koeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen (Laag: 13,3%; Midden: 14,3%; Hoog: 15,4%) tijdens de eerste lactatie (44 weken) van de proef.
© Jannick Flach | BioJournaal.nl
Figuur 2: Vet- en eiwitgecorrigeerde melkgift (FPCM) van koeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen (Laag: 13,3%; Midden: 14,3%; Hoog: 15,4%) tijdens de eerste lactatie (44 weken) van de proef.
© Jannick Flach | BioJournaal.nl
Figuur 3: Ureumgehalte in de melk van koeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen (Laag: 13,3%; Midden: 14,3%; Hoog: 15,4%) tijdens de eerste lactatie (44 weken) van de proef.
Bron: WUR