"Permanente toegang tot weidegrond meest gepast voor biologische melkgeiten"

Vanuit dierenwelzijnsperspectief, met inachtneming van de wetgeving ten aanzien (labeling van) biologische producten en mogelijke gezondheidsrisico’s voor mens en dier, is de meest gepaste houding dat (melk)geiten in Nederland permanente toegang tot weidegrond wordt geboden. Tot die aanbeveling komt Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) na onderzoek op vraag van Skal. 

Over de weidegang van biologische melkgeiten bestaat onduidelijkheid. Bij Skal zijn zowel van bezorgde burgers en organisaties als vanuit de geitenhouderij zelf signalen binnengekomen dat er biologische melkgeitenbedrijven zijn waar de dieren niet of nauwelijks buiten lopen. Om over de interpretatie van de regelgeving omtrent weidegang een standpunt in te kunnen nemen heeft Skal Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) gevraagd om met een aanbeveling te komen door een antwoord te geven op de volgende vragen: “Wat is vanuit het dierenwelzijnsperspectief, met inachtneming van de wetgeving ten aanzien van (labeling van) biologische producten en mogelijke gezondheidsrisico’s voor mens en dier, de meest gepaste houding ten opzichte van weidegang voor (melk)geiten in Nederland?” “Is er een verhoogde kans op ziektes bij mens en dier indien (melk)geiten buiten staan in plaats van binnen?”

Weidegang zoals deze in de meeste gevallen wordt toegepast sluit niet direct aan bij de natuurlijke behoeftes van de geit, licht GD toe. Als browser heeft een geit de natuurlijke behoefte aan gevarieerde en structuurrijke gewassen. Indien het daaraan ontbreekt kan de motivatie van geiten om naar buiten te gaan afnemen. Het afdwingen van weidegang door toegang tot de stal te verhinderen is geen toevoeging voor het welzijn.

Welzijn
Omgekeerd heeft het aanbieden van de keuze om naar buiten te gaan wel een toegevoegde waarde voor het welzijn. De toegang tot buiten is bij voorkeur groot genoeg om meerdere dieren tegelijk door te laten in verband met sociale hiërarchie. Daarnaast zou de weide aantrekkelijk moeten zijn waarbij onder andere het beschikbare oppervlakte per dier buiten groter is dan in de stal. Het aanbieden van klimattributen en/of takkenbossen in de wei om de natuurlijke behoeftes van de geit te stimuleren is een pre, maar geen vereiste.

Op basis van literatuuronderzoek en eigen kennis en ervaring concludeert GD dat het bieden van weidegang voor zowel mens als dier geen verhoogde gezondheidsrisico’s oplevert. Voor geiten zijn er naast zaken die de gezondheid kunnen bevorderen ook mogelijke parasitaire infecties die de gezondheid nadelig kunnen beïnvloeden. Door gerichte managementmaatregelen kunnen die risico’s worden beperkt.

Rantsoen
Er bestaan geen wettelijke eisen ten aanzien van het percentage ruwvoeropname dat uit grazen moet komen. De sector heeft bepaald dat dit dertig procent moet zijn. GD vindt dat het dierwelzijn een belangrijkere leidraad moet zijn met betrekking tot weidegang, dan de opname van een substantieel deel van het rantsoen uit grazen. Daarnaast heeft naar verwachting ruwvoer van een stabiele en optimale kwaliteit een betere invloed op de pensgezondheid dan de opname van vers gras.

Klik hier voor het volledige rapport.

Bron: GD


Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Rss Twitter

© BioJournaal.nl 2021

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven