Nieuw model om de effecten van beleid op agrarische natuur te berekenen

De relatie tussen landbouw en natuur is het afgelopen jaar volop aanwezig in het nieuws. Het agrarische gebied kent van oudsher een hoge biodiversiteitswaarde, maar deze heeft de afgelopen decennia een dramatische teruggang gekend. Om deze waarde te beschermen worden subsidies voor specifiek beheer gegeven ten behoeve van o.a. weidevogels, grauwe kiekendief en hamster.

Met het nieuwe model MNP (Model for Nature Policy)-Agrarisch is een belangrijke stap gezet om landsdekkend zicht te krijgen op de te verwachten effecten op biodiversiteit van beleidsscenario’s, zoals nieuwe vormen van agrarisch (natuur)beheer en effecten van vergroening.

Effecten van beleidsscenario’s op natuur
Beleidsscenario’s worden door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gebruikt om te verkennen wat de consequenties van beleid zijn of welk beleid nodig is om tot een bepaalde toekomstige situatie te komen. Om de ecologische implicaties van deze beleidsscenario’s te kunnen evalueren, zijn modellen een handig en zelfs onmisbaar instrument.

Voor landnatuur is al een kernmodelinstrumentarium ontwikkeld, MNP-Natuur, waarmee landelijke analyses en verkenningen kunnen worden gemaakt van de effecten van beleidsplannen en veranderingen in de leefomgeving op natuur. Hierbij is de aandacht tot nu toe gericht geweest op de natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Nu is er ook de wens om de effecten van beleidsscenario’s voor de natuur buiten het NNN, waaronder de natuur in de stad en het agrarisch gebied, door te kunnen rekenen. Dit om inzicht te krijgen in bijvoorbeeld effecten van nieuwe vormen van agrarisch (natuur)beheer, effecten van vergroening (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) en andere beleidsscenario’s.

Potentiele kwaliteit en gerealiseerde kwaliteit
Wageningen University & Research heeft samen met PBL het MNP-Agrarisch ontwikkeld. Dit nieuwe model is gebaseerd op de systematiek voor Beheer-op-Maat (BoM), een kennissysteem voor het ontwerpen en beoordelen van effectieve beheermozaïeken, dat de afgelopen jaren is ontwikkeld.

Deze nieuwe benadering is gestart met weidevogels. Bij het opbouwen van het model is onderscheid gemaakt tussen abiotische/landschappelijke factoren en beheer. Van de afzonderlijke abiotische factoren worden kaarten gemaakt die de kwaliteit weergeven. Vervolgens worden deze kaarten geïntegreerd tot één kaart die de landschappelijke, ‘potentiële kwaliteit’ beschrijft. Het beheer is opgevat als de factor die bepaalt in hoeverre de potentiële kwaliteit ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Dit resulteert in de kaart ‘gerealiseerde kwaliteit’. Deze opbouw maakt het mogelijk om een link te leggen met fysieke maatregelen die door beleid kunnen worden aangestuurd. Na de weidevogels is een begin gemaakt met soorten van de andere typen leefgebied zoals die in het agrarisch landschap worden onderscheiden: naast open grasland zijn dat open akkers, droge dooradering en natte dooradering. Het ontwikkelde model sluit qua methodiek aan bij de MNP-Natuur.

Toepassing in de Natuurverkenning
Met deze eerste versie van een model voor het agrarische gebied is een belangrijke stap gemaakt om landsdekkend zicht te krijgen op te verwachten effecten voor biodiversiteit van beleidsscenario’s, zoals nieuwe vormen van agrarisch (natuur)beheer en effecten van vergroening. In hoeverre de systematiek daadwerkelijk bruikbaar is voor evaluaties en verkenningen zal blijken uit de toepassing binnen de huidige Natuurverkenning, waar WUR en PBL momenteel samen aan werken.

Bron: Wageningen University & Research


Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© BioJournaal.nl 2020

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven