Wetenschapper Krijn Poppe:

"We betalen veel te weinig voor een stukje vlees"

We hoeven niet perse met z’n allen vegetarisch te worden, we betalen alleen veel te weinig voor een stukje vlees. Minder vlees en zuivel is volgens Krijn Poppe de oplossing voor een beter milieu. Maar hoe krijgen we de consument zover? Want die duizelt het soms van de voedingsadviezen. "Ik begrijp het als de consument door de bomen het bos niet meer ziet."

Nog maar veertig procent dierlijk eiwit, en zestig procent plantaardig eiwit. Zo zag het Nederlandse menu er tientallen jaren geleden uit en daar moeten we weer naar terug, vindt de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI). Die verhouding is het omgekeerde van wat we nu consumeren, en bij sommigen leidt dat tot heftige reacties.

'Biefstuk en bal gaan in de ban', waarschuwde De Telegraaf zijn lezers half januari toen het Klimaatakkoord dezelfde verhouding bleek na te streven. Dat betekent volgens de krant één, hooguit twee keer per week vlees op tafel. Een doemscenario.

Maar is dat wel zo erg? Mede-opsteller van het RLI-rapport Krijn Poppe, landbouweconoom bij Wageningen Economic Research: "Er zijn goede redenen om minder vlees te eten. Vanuit je eigenbelang om te beginnen. Onze consumptie van eiwitten is te hoog. Omdat we vaak een zittend beroep hebben en te weinig bewegen, leidt dat makkelijk tot obesitas en soms zelfs tot diabetes. En binnen die eiwitconsumptie kleven er met name gezondheidsrisico's aan rood en verwerkt vlees. De Wereldgezondheidsorganisatie wijst daar op."

Ook vanuit het algemene belang, van Nederland en van de planeet, is vermindering van vleesconsumptie – en trouwens ook van zuivel – een goede zaak. Poppe: "Als econoom wil je keuzevrijheid voor de consument. Maar het probleem is dat je niet de volledige prijs betaalt voor het stukje vlees of het melkpak dat je afrekent. De milieukosten van de veehouderij en andere kosten voor de samenleving zitten niet in de prijs."

Methaan en lachgas
Die ‘externe kosten’ van vlees en zuivel zijn fors, zegt Poppe, zeker ook omdat de Nederlandse veehouderij veel van de dierlijke productie exporteert (zo’n 70 procent) en de kosten hoofdzakelijk voor Nederland zijn. Het gaat om de uitstoot van de broeikasgassen methaan en lachgas die vrijkomen bij de spijsvertering van koeien en uit mest – op dit moment 10 procent van de totale Nederlandse uitstoot.

Dat is de bijdrage aan de wereldwijde opwarming van de aarde, legt hij uit. Daarnaast heb je nog regionale milieuproblemen. Met name het mestoverschot is een regelrecht hoofdpijndossier, blijkt ook uit Poppe’s rapport. Dat zie je in de waterkwaliteit, in stikstofafzetting in natuurgebieden, en ammoniak dat stank veroorzaakt en deels omgezet wordt in fijnstof.

Niet afwachten
Aan de klimaatkant wacht een zware opgave. Poppe: “Nu stoot de Nederlandse veehouderij zo’n 18 Megaton CO2-equivalenten zoals methaan uit. Als met de nu bekende technologie alles uit de kast wordt gehaald kan dat wellicht terug naar 10 Megaton in 2050. Maar dat is dan ook meteen de totale hoeveelheid broeikasgas die Nederland nog mag uitstoten, en mag er nergens meer een grammetje CO2 de atmosfeer in gaan.”

Dat vraagt een reuze inspanning volgens Poppe en de RLI. Minder vee houden, meer plantaardig eiwit produceren, niet meer de hele wereld willen voeden. En de consument moet minder vlees en zuivel gaan gebruiken.

We kunnen niet afwachten of technologische innovatie alle milieuproblemen als sneeuw voor de zon doet verdwijnen, zegt Poppe. "Wederom als econoom zeg ik: begin maar gewoon. Als je weet wat de richting wordt, ga vast die kant op. We weten niet precies hoe ons voedselsysteem eruit komt te zien, maar we weten wel dat ons menu meer plantaardig gaat worden."

Kunnen we niet beter vegan worden?
Allemaal vegan worden hoeft niet, zegt Poppe, en is zelfs niet het meest duurzaam. “Uit Wagenings onderzoek blijkt dat dan al het gras blijft staan, dat is zonde. En het is ook niet bewezen dat zo’n dieet gezonder is.” Met een verhouding van 60 procent plantaardig tegenover 40 dierlijk in 2030 gaan we al een eind in de goede richting – zo was het ook tot de jaren zestig, toen de welvaart steeg, de landbouw grootschalig ging produceren, en vlees binnen ieders bereik kwam te liggen.

Kunnen we wel ons voedselsysteem duurzamer maken en toch vlees en zuivel gebruiken?
“Ons voedselsysteem, en met name onze manier van vee houden, kan een stuk duurzamer. Daarmee blijft er plek voor dierlijke eiwitten in het menu en kunnen we het milieu sparen. Minister Carola Schouten lanceerde in het najaar van 2018 het begrip ‘kringlooplandbouw’.”

Poppe wijst op het onderzoek van zijn Wageningse collega Imke de Boer naar het sluiten van kringlopen. "Koeien zijn vanuit die optiek geschikt om waarde aan gras te geven – dat je anders niet voor voedsel gebruikt. Varkens (en in mindere mate kippen) kunnen allerlei reststromen uit de voedselproductie eten – zoals swill (keukenafval). Rundvlees blijft op het menu staan, maar als reststroom in de zuivelproductie. Tegelijkertijd krimpt de veestapel, want er wordt veel minder veevoer geïmporteerd en er worden geen granen geteeld speciaal voor veevoer. De beschikbaarheid van reststromen zou volgens Imke de Boer het uitgangspunt moeten zijn voor onze consumptie van dierlijk eiwit. Of dat de kringlooplandbouw is zoals Schouten voor ogen staat, is niet helder. De minister heeft nog niet duidelijk gemaakt op welke schaal die kringlooplandbouw moet gaan functioneren: regionaal, nationaal, Europees of zelfs op wereldschaal."

Maakt het uit welk vlees we eten?
Binnen de veehouderij verschilt de milieu-impact nogal. De pluimveesector is de grote fijnstof-veroorzaker, de varkenshouderij produceert de meeste ammoniak.

Poppe: “De melkveehouderij leek tot voor kort de meest milieuvriendelijke, omdat varkens en kippen granivoren zijn en het houden van die dieren veel intensiever gebeurt. Toen we ons rapport gingen schrijven, beseften we dat klimaat de blinde vlek binnen de landbouwwereld was. Inmiddels wordt de klimaatimpact van de melkveehouderij onderkend. Maar het is ingewikkeld te bepalen welke dierlijke productie het minst schadelijk voor het milieu is. Ik begrijp het als de consument door de bomen het bos niet meer ziet.”

Hoe krijg je de consument dan toch zo ver dat-ie vlees mindert?
De grote vraag is of de Nederlander ondanks alle rapporten en adviezen (onder meer van het Voedingscentrum) massaal vlees gaat minderen. De laatste jaren daalt de vleesconsumptie af en toe, maar niet echt substantieel. Krijn Poppe heeft een aantal strategieën paraat. Het begint met bewustwording, informatie verstrekken over de milieu-impact en gezondheidseffecten van vlees eten, en gaat dan over in nudging, consumenten een duwtje in de goede richting geven.

"Daarbij is de overheid afhankelijk van de medewerking van de retail. In Wageningen deden we onderzoek samen met een grote cateraar. Sommige klanten kregen grotere porties groente en kleinere porties vlees. Het bleek win-win-win. De klanten vonden het lekker, het was goed voor het milieu, en de restaurants maakten meer winst." Daarnaast, zegt hij, kan de overheid met innovatiesubsidies de ontwikkeling van vleesvervangers en labvlees stimuleren.

Werkelijke prijs
Het meest effectief is het rekenen van de werkelijke prijs voor vlees en zuivel, of het verhogen van de btw op dierlijke producten. "Dan beprijs je de vervuiling, door de kosten van onder meer mestproductie en CO2-uitstoot mee te rekenen en stimuleer je kringlooplandbouw." Vergelijk het met vliegen, zegt Poppe. "Je kunt je afvragen hoeveel een Nederlander nog mag vliegen in verband met onze klimaatambities. Maar als je de schade aan het klimaat in de prijs van een ticket zou verwerken, zijn er weinig mensen meer die meerdere keren per jaar in het vliegtuig stappen."

Populair zijn dit soort opvattingen nog niet, en vanuit de agrarische sector en het CDA was er kritiek op de stellingname van de RLI dat de veestapel kleiner moet. "In het publieke debat worden adviezen om minder vlees te eten al gauw als 'betuttelend' gezien. Het ligt politiek gevoelig om achter de voordeur van de burger te komen. Maar die burger staat de hele dag bloot aan allerlei vormen van beïnvloeding. En in een aantal gevallen vinden we 'betutteling' heel normaal. Zoals de verplichting om autogordels te dragen – terwijl de externe effecten daarvan heel gering zijn."

Tekst: Hans Ariens 

Bron: De Kleur van Geld - Triodos Bank


Publicatiedatum:


print   

Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© BioJournaal.nl 2019

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven